Menu

Flora en Fauna

Kies hieronder de bovenste aanduiding of scrol door naar beneden en kies uit de lijst hieronder, van aanwezige artikelen.

Alle hieronder getoonde vogels zijn terug te vinden in het boek 'RIJK aan VOGELS', alle insecten in het boek 'INSECTEN RIJK'. Beide boeken zijn verkrijgbaar in de shop.

Zie voor meer aspecten van flora en fauna op golfbanen ook: http://www.golfbaanhandboek.nl/onderdeel/natuur

 

 

Jacobskruiskruid

Libellen - Nieuw leven vanuit het water

Zwevende rupsen

Wantsen

Flora en fauna 35 jaar - deel 7 - Volwassen 

Flora en fauna 35 jaar - deel 6 - 45 holes 

Flora en fauna 35 jaar - deel 5 - Innovatie en renovatie

Flora en fauna 35 jaar - deel 4 - Voortgang

Flora en fauna 35 jaar - deel 3 - Boerderij e.o.

Flora en fauna 35 jaar - deel 2 - Banen

Flora en fauna 35 jaar - deel 1 - Inleiding

Gele kornoelje - Cornus mas

Lezing Biodiversiteit  op Rijk van Nijmegen

Metamorfose

Paddenstoelen

Biodiversiteit

Leven rond de vijver tussen Noord 9 en Oost 1

Inzet schapen vraagt om doordachte keuzes

Succesvolle vogeltelling

Nijlganzen op de baan

Vogels tellen

Luislang doodt bosbok op golfbaan

Flora en fauna Zuid-Afrika

Waar zijn de insekten nu?

 

Jacobskruiskruid

 

Deze als jacobskruiskruid bekende plant kent in de volksmond, afhankelijk van de streek, vele volksnamen. In de kop van Overijssel wordt ze wel koe- of beestebloem genoemd, in Waterland strommel, rond Zwolle ijzerboompje en op Texel munneke blaade.

Overal door de baan, op alle lussen, zien we momenteel geel bloeiende planten in de rough staan. Soms enkele planten, soms enkele vierkantemeters en circa 50 – 80 cm hoog. Dichterbij bekeken vormen de bloemschermen kleine bloemen met een krans van gele bloemblaadjes.

 

 

 

Deze veelal tweejarige planten zaaien zich als pionier uit op open plekken in het gras in de rough. Vandaar ook dat de dichtheid per jaar per locatie kans verschillen. De verspreiding is afhankelijk van wind (windverspreider) welke het vruchtpluis meeneemt. In dichte grasmatten komt de plant moeilijker tot kiemen.

 

 

Bijzonder momenteel is de bezetting van de planten met een gele zebrarups, de larven van de sint-jacobsvlinder. Deze giftige rupsen vreten de hele plant kaal, maar gelukkig heeft deze een groot herstelvermogen. Ook op de wortels in de grond groeien vaak weer nieuwe planten uit.

 


Het jacobskruiskruid is de waardplant voor deze rups. De giftigheid van de rupsen komt door het eten van het voor de meeste zoogdieren (ook voor de mens) giftige jacobskruiskruid. Zowel de bloemen als de bladeren bevatten stoffen (alkaloïden) die in de dunne darm worden omgezet in giftige, vrije alkaloïden. Ook kan de plant bij aanraking allergische reacties veroorzaken.
Naast het belang van deze plant voor het voortbestaan van de jacobsvlinder, is deze plant ook belangrijk voor het voortbestaan van het vlindertje ‘zwartwit knoopvlekje’ (een bladroller), de solitaire ‘duinzijdebij’, het kevertje ‘jacobskruiskruidaardvlo’ (een bladhaantje) en de ‘zaadvlieg’ (een bloemvliegensoort).

 

In de natuur vermijden de meeste grazers het jakobskruiskruid, zo zullen de reeën die onze golfbaan bezoeken ook niet snel van deze planten eten. Daarentegen zijn de schapen die worden ingezet om de rough te verschralen, minder gevoelig maar niet ongevoelig.

De sint-jacobsvlinder is een prachtige, opvallende roodzwarte vlinder uit de familie van de spinneruilen en de onderfamilie van beervlinders. Het is een dagactieve nachtvlinder die van april tot en met begin augustus vliegt en is waar te nemen in de rough op de zandrijke delen van de baan (met name rond hole 9 op Zuid). Vleugellengte: 15-21 mm.

 

Kijk, luister en geniet!

 

 

Libellen - Nieuw leven vanuit het water


(Foto: Ouderpaar Nijlgans met jongen op Oost 1)

Veel zullen wij als golfers niet meekrijgen van de bijzondere gebeurtenissen op, in en aan het water. Zeker niet van het leven dat nu in deze periode uit het water tevoorschijn komt. Goed, dat er twee jonge Nijlganzen zijn geboren op de vijver van Oost 1, dat is vrijwel iedereen al wel opgevallen. Maar minder in het oogspringend zijn de geboortes van de libellen en de juffers.


(Foto: Vijver op NB hole 15)

 

 
(Foto's: Links gewone oeverlibel en rechts blauwe breedscheenjuffer)

 

Wanneer iets uit het water komt, moet er ook iets in het water zijn gekomen en zie hier. De aanwezige libellen en juffers hebben hun eitjes afgezet in of nabij het water, gewoon uitgestrooid boven het water (echte libellen) of via een speciaal legapparaat in een voorgeboord plantendeel (waterjuffers).
De uit die eitjes geboren larven leven vervolgens in het water, buiten het zicht van de golfers en eten daar kleine waterdieren. Al groter wordend barsten de larven uit hun huid en vervellen zo wel negen tot zestien keer en steeds zonder die kenmerkende vleugels.

 
(Foto's: Links en rechts libellenlarven in verschillende levensstadia)

 

Tot de vleugelvorming kan onder water wel maanden tot jaren in beslag nemen, maar zodra de larve is volgroeid verlaat deze het water en zet zich vast op een waterplant of gewoon op de waterkant, dit wordt uitsluipen genoemd. Voor de laatste keer barst het laatste larvenhuidje open en komt het volwassen imago, met vleugels, te voorschijn. Nu oppassen en snel opdrogen en uitharden en dan....vliegen. De oude jas achterlatend. Dit bijzondere proces vindt plaats van eind mei tot half juni, dus nu kunnen we weer genieten van de rondvliegende echte libellen en juffers.

 
(Foto's: Links en rechts achtergebleven huid van libellen na uitsluipen uit het water)

 
(Foto's: Links en rechts achtergebleven huid van juffers na uitsluipen uit het water)

 

Binnen de orde der libellen wordt onderscheid gemaakt tussen de echte libellen of ongelijkvleugeligen en de juffers of gelijkvleugeligen. Er zijn meer dan 65 inheemse soorten bekend, op de golfbaan komen van beide enkele vertegenwoordigers voor. Ten opzichte van andere insecten vallen de libellen en juffers vooral op door hun relatief grote en geaderde vleugels, het lange slanke achterlijf, de grote facetogen op een beweeglijke kop, het schuin gericht borststuk en de naar voren geplaatste poten.
De echte libellen en de juffers worden hierna gescheiden beschreven.

Ook op onze golfbaan zijn de libellen vaak bij water te vinden, dit omdat hun larven daarop zijn aangewezen, maar treffen we ze ook aan door de baan, ver verwijderd van open water. Op de lussen Noord en Oost kunnen we ze aantreffen boven de waste area's, waarschijnlijk vanwege de opstijgende warmte. Afhankelijk van de temperatuur kunnen ze in grote groepen van honderden tegelijk rondvliegen boven de fairways over het gehele golfbanencomplex.

 
(Foto: Links de ogen van echte libellen, rechts de ogen van juffers)

 

In het oog springend zijn de grote, samengestelde ogen die uit 10.000 tot 50.000 facetjes bestaan. Bij de echte libellen raken ze elkaar bijna, bij de juffers staan ze verder uit elkaar. Licht en donker wordt waargenomen met nog drie extra, enkelvoudige ogen.

Libellen hebben forse monddelen waarmee ze kunnen bijten, steken kunnen ze niet. De kop kan in alle richtingen bewegen en is verbonden met het voorste borstgedeelte.
Opvallend ook is het naar achteren gekantelde borststuk waaraan de poten zitten. Hiermee kunnen ze hun prooi in de vlucht vangen. Ten gunste van de vliegkunst staan de vleugels centraler opgesteld.

Lopen doen libellen niet en de poten zijn dan ook aangepast aan het jagen tijdens de vlucht, waarbij ze een soort vangnet vormen. De vier vleugels kunnen los van elkaar worden aangestuurd en zo kan de libel stilstaan in de lucht, verticaal opstijgen en zelfs achteruit vliegen terwijl de vleugelslag langzamer is dan bij veel andere insecten. Ze behoren tot de snelst vliegende insecten.

Op de vleugels valt het netwerk van aderen op, waarvan de structuur een belangrijke rol speelt bij de determinatie. In rust houdt de libel in tegenstelling tot de juffer, de vleugels gespreid en soms iets naar beneden. De achtervleugels zijn aan de basis breder dan de voorvleugels.

 


(Foto: Let op de doorzichtige vleugels en het opvallende netwerk van aderen)

 

Het achterlijf van libellen en juffers is lang, gesegmenteerd en buigzaam, noodzakelijk voor de paring. Functioneel is het achterlijf belangrijk als stabiliserende functie bij het sturen. Aan het achterlijf zitten tangvormige aanhangsels waarmee het vrouwtje tijdens de paring wordt vastgehouden. Het achterlijf is opvallend grover bij libellen dan bij juffers.
Opvallend is het tandem vliegen van zowel libellen als juffers, waarbij het vrouwtje met de achterlijfaanhangsels wordt vastgepakt achter de kop of zoals bij de juffers achter het halsschild. Dit vormt het begin van de paring waarbij het mannetje zijn sperma heeft overgebracht naar zijn secundaire geslachtsorgaan omdat het primaire orgaan onbereikbare is gesitueerd voor het vrouwtje.

In het daaropvolgende stadium zien we de libellen en juffers in het zogenoemde paringswiel, waarbij de onderlijven bijeen zijn gebracht. In deze houding neemt het vrouwtje het sperma over van het mannetje waarna de bevruchting pas plaats gaat vinden bij de afzet van de eitjes. Deze unieke paringsmanier vindt zowel plaats in de vlucht als in rust en duurt van enkele seconden tot meerdere uren. Met haar legapparaat legt het vrouwtje de eitjes waarbij bij veel soorten, het bevruchtende mannetje haar nog steeds vasthoudt. Afhankelijk van de soort worden de eitjes in waterplanten gelegd of afgezet in het water of in de modder. Soms overwinteren deze en anders worden na enkele weken de larven geboren.

 
(Foto's: Links paring en rechts paringswiel azuurjuffers)

 

‘Echte’ libellen of ongelijkvleugeligen
Vertegenwoordigers die we op de golfbaan aantreffen zijn o.a. van de grote familie korenbouten. Deze vallen op door hun robuuste of compacte bouw en opvallende kleuren en tekening. De spanwijdte varieert van 4 - 7,5 cm. Het achterlijf is plat en breed. Kenmerkend is veelal ook de donkere vlek op zowel de basis van de achtervleugels, als op de voorvleugels.
De imago's zijn vaak te zien op zitposten op de grond of op plantenstengels of uitsteeksel. Tijdens het afzetten van eitjes kunnen vrouwtjes stil boven het water blijven hangen. De waterhindernissen door de baan zijn het biotoop voor de larven die daar in modder en molm op de bodem leven. Kennen we in ons land 21 soorten korenbouten, op Het Rijk van Nijmegen heb ik 3 soorten waargenomen, nl. de gewone oeverlibel, de grootste (tot 5 cm met 8 cm spanwijdte) en meest algemene oeverlibel in ons land.

 
(Foto's: Gewone oeverlibel, links mannetje, rechts vrouwtje)

Ook de aanwezige heidelibellen behoren hiertoe, zoals de te bewonderen bruinrode heidelibel, de steenrode heidelibel en de bloedrode heidelibel.

 

 
(Foto's: Bruinrode heidelibel links en steenrode heidelibel rechts, jong mannetje in geelgroene uitvoering)


(Foto: Bloedrode heidelibel)

 

Een andere groep van vertegenwoordigers, is die van de glazenmakers. Dit betreft veelal grote, krachtige libellen van 6 – 8,5 cm. lang met een spanwijdte van 6,5 - 9 cm.
Het donkere achterlijf heeft lichtere mozaïektekening, of is licht met een donkere rugstreep en is langer dan de vleugels. Het borststuk wordt gekenmerkt door schouder-strepen of een lichte tekening aan de zijkant, vaak ook komen beide voor. Eenmaal op de waterhindernis aanwezig zijn de mannetjes erg territoriaal ingesteld en vliegen regelmatig rond in zgn. patrouillevluchten.
Ook deze soorten leggen de eitjes in de oever- en waterbeplanting en ook hier leven de larven in het water.

Waargenomen vertegenwoordigers van deze familie zijn de grote keizerlibel, met ca. 8 cm. de grootste vertegenwoordiger binnen de familie. Mannetjes hebben een hemelsblauw achterlijf met zwarte lengtestreep en vrouwtjes groen met een donkerbruine lengtestreep.

 


(Foto: Grote keizerlibel)

 

Daarnaast is er de paardenbijter.
Ondanks dat het een grote libel is, is ze maar een kleine glazenmaker van 5,5 – 6,5 cm. In het oog springend zijn de lichte vlekken en mozaïektekening op het donkere achterlijf. Twee gele banden sieren de zijkant van het donkere, blauw getinte borststuk.  Komt vrij algemeen voor en vliegt in de nazomer al zwervend vaak in groepen rond boven de fairways, bunkers en greens.
Vanwaar paardenbijter? Dit omdat ze zich vaak in de nabijheid van paarden ophoudt.


(Foto: Paardenbijter)

 

Juffers of gelijkvleugeligen
Zoals bij de libellen aangegeven, vormen de juffers een onderorde binnen de orde van de libellen. Op de golfbaan komen we diverse vertegenwoordigers tegen van de in Nederland 26 aangetroffen soorten.

Hoe kunnen we de juffers onderscheiden van de echte libellen?

Grofweg als lichtere uitgave van de echte libel; het lichaam is lichter gebouwd met een lang en dun achterlijf, de ogen zijn relatief klein en staan aan de zijkanten van de kop, de vier vleugels hebben dezelfde vorm en worden in rust meestal langs of boven het achterlijf samengeklapt, dit in tegenstelling tot de libel die de vleugels spreidt. Uitzonderingen bevestigen de regel zoals hier de pantserjuffers.
Ook de juffers leggen eitjes in de waterhindernissen, waaruit nimfen komen die na enkele vervellingen ontwikkelen tot imago, een onvolledige gedaanteverwisseling waarbij ook hier wordt gesproken van larven in tegenstelling tot andere insecten met een onvolledige gedaanteverwisseling. Op de golfbaan treffen we ze aan rond de waterhindernissen of zwervend boven de baan en het zal opvallen dat er nogal verschillende soorten zijn. Toch gaan we hier niet dieper in op verschillen in families op grond waarvan wordt gedetermineerd.
Op de golfbaan treffen we vertegenwoordigers aan van de groepen waterjuffers, pantserjuffers en beekjuffers.

De waterjuffers met lang, dun achterlijf, zijn de meest soortenrijke familie van de juffers. De voor- en achtervleugels zijn gelijk van vorm en worden in rust opgevouwen boven het achterlijf gehouden. Kenmerkend ook zijn de wijd uiteen staande, bolle ogen. Over het algemeen is het achterlijf voorzien van een zwarte, variabele tekening. De vleugelspanwijdte ligt tussen 2 - 4,5 cm.

Van de waterjuffers, waarvan de mannetjes vaak opvallend gekleurd zijn, treffen we op de golfbaan de azuurwaterjuffer, de vuurjuffer en lantaarntje aan, de meest algemene (water)juffer in ons land.
 

 
(Foto's: Azuurwaterjuffer, links en rechts)

 

De ongeveer 32-35 mm grote azuurwaterjuffer, is een kleine, slanke soort. Bij voorkeur bij de waterhindernissen met stilstaand water zoals op de golfbaan aanwezig. Zwarte poten, vliegt maart tot en met september.

De vuurjuffer doet zijn naam eer aan en is grotendeels rood gekleurd en is tot 3,5 cm lang, heeft zwarte poten en ze vliegen van maart tot en met september.

 


(Foto: Parende vuurjuffers)

 

Het lantaarntje is 3-3,5 cm groot en komt ook voor bij de waterhindernissen op de golfbaan. Vliegt van mei – september, piek rond eind mei en begin augustus. De naam is afgeleid van het ene, achterste, blauwe segment tussen de zwarte, overige segmenten van het achterlijf.


(Foto: Lantaarntje)

 

De pantserjuffers kennen slechts vijf vertegenwoordigers in Nederland en daarvan komt er één voor op de golfbaan. De naam slaat op de metaalachtige kleur. De overwegend groene, brons- of koperkleurige pantserjuffers met een opvallende metaalglans, zijn in vergelijking met andere juffers vrij groot en stevig gebouwd (4-5 cm lang).
Kenmerkend is de rusthouding waarbij de vleugels half gespreid worden gehouden. Te zien op de waterhindernissen in de zomer vanaf begin juli, en het najaar tot in november.

Op de golfbaan treffen we de grote, tot bijna 5 cm. lange houtpantserjuffer aan, de langste pantserjuffer. Stilstaand water als de aanwezige waterhindernissen zijn geschikt biotoop, waarbij de eitjes worden afgezet in de bast van bomen nabij het water. Het achterlijf is breed en lang en metaalgroen. Ze vliegen van half juli tot in november, met een piek in augustus-september.



(Foto: Parende houtpantserjuffers)


Van de beekjuffers worden in ons land twee soorten waargenomen en één hiervan op de golfbaan, de weidebeekjuffer, rond het Siepke, de enige plaats waar stromend water voorkomt.
Opvallend en het meest in het oog springend zijn de geheel of gedeeltelijk donker blauwzwart gekleurde vleugels van de mannetjes. Ten opzichte van alle andere juffers zijn ze groot, tot wel 50 mm. De vleugels van de vrouwtjes zijn groen of meer bruin.


(Foto: Weidebeekjuffer)

Kijk, luister en geniet!

 

 

Zwevende rupsen

Ze zijn er weer, de zwevende rupsen onder bomen en struiken. Aan lange spinseldraden die vertikaal in de baan hangen, laten honderden rupsen zich naar de grond afzakken. Wanneer je op zoek bent naar je bal onder een boom of struik, kan het maar zo zijn dat je in je haren en achter je kraag spinseldraden voelt of rupsen krijgt toegevoegd. Het gaat hier om de rupsen van de bekende stippelmotten of spinselmotten. Tot deze vlinderfamilie behoren soorten waarvan de rupsen begin zomer, gemeenschappelijke webben spinnen.

 


(Foto: Met spinsel ingepakte struik en kaalgevreten door rupsen van de stippel- of spinselmot.)

 

Het spinsel is taai en lastig te verwijderen en kan tot een behoorlijke plaag leiden. Gelijktijdig worden de ingepakte bomen of struiken geheel kaal gevreten.
Hun voorliefde gaat uit naar fruitbomen om de eitjes op af te zetten, maar op de golfbaan kunnen we nesten aantreffen op o.a. meidoorn, krent, kers, sleedoorn en kardinaalsmuts.
De imago’s van deze kleine vlinders, zijn wit en zwart gespikkeld. Ze vliegen op diverse nectarrijke, bloeiende planten door de baan, van struiken tot kruidachtigen.

 
(Foto's: Links en rechts imago’s van stippelmot.)

 

Op de golfbaan treffen we de rupsen aan van de meidoornstippelmot, vogelkersstippelmot en  kardinaalsmutsstippelmot.

De meidoornstippelmot vliegt van half juni - oktober en kent één generatie. Het is een opvallend witte, satijnachtige vlinder met gespikkelde vleugels die in rust langs het lijf liggen, waardoor ze een lang smal uiterlijk heeft. De achterrand is iets opgericht en kamvormig, ze hebben geen lange snuit, wel lange antennes. Reeds in mei zijn de vraatzuchtige larven waar te nemen die uitgroeien naar 15-22 mm lange, groengrijze rupsen met een zwarte kop en aan beide zijden van het lichaam banen met zwarte vlekken, twee per segment.

 

 
(Foto's: Links- en rechtsboven rupsen van de meidoornstippelmot. Onder vogelkersstippelmot in de rough.)

 

 

Ook kunnen we de vogelkersstippelmot aantreffen. Een prachtig zijdeachtigwit, klein imago met heldere zwarte stippen bezet. Spanwijdte tussen de 16 en 25 mm en vliegt van juli - augustus. Zoals de naam aangeeft is de waardplant van deze soort, voor de rupsen, de vogelkers en Amerikaanse vogelkers en ook haar rupsen maken een uitgebreid nest van spinsel en vreten hele bomen kaal.
De vlinders kunnen we aantreffen op diverse nectar leverende bloemen in de rough. Ook verwarring van het imago met andere soorten is hier mogelijk. Ze lijken nagenoeg allemaal op elkaar en de verschillen zijn klein.

De kardinaalsmutsstippelmot komt algemeen voor op de golfbaan en het imago lijkt op die van de vogelkersstippelmot en behoort ook tot de familie van de stippelmotten. Met een spanwijdte van 19 tot 26 mm, een kleine vlinder, wit en gekenmerkt door de zwarte stippen. Vliegt van juni - oktober.

 

 
(Foto's: Linksboven nest rupsen van kardinaalsmutsstippelmot, rechts langs stevige spindraden zakken ze naar de grond.)

De geelbruine rupsen van de kardinaalsmutsstippelmot, met twee rijen zwarte stippen, treffen we vooral aan in de struiken van de karinaalsmuts, gekenmerkt ook door de rijke spinsels die de toppen van de struiken bedekken.

 

Om naar de grond te komen voor verpopping laten de rupsen (ook van de andere stippelmotten), zich langs soms meters lange, stevige, vertikale spindraden zakken. Er is één generatie per jaar, de rupsen treffen we aan van mei tot juni, dus momenteel.

 

Kijk, luister en geniet!

 

 

Wantsen

Met het vooruitzicht op het weer bezoeken van de golfbaan, duiken we met flora en fauna eens in een toch wel opvallende groep van insecten die op onze golfbaan kunnen worden waargenomen, de wantsen. Een keverachtig insect.

Wantsen verschillen van de kevers door over het algemeen een platter lichaam en het ontbreken van insnoering tussen borststuk en achterlijf. In tegenstelling ook tot de kevers, lijkt de wantsnimf niet direct op de imago.
Wantsen hebben een onvolledige gedaanteverwisseling, kevers een volledige gedaanteverwisseling.
Wantsen komen veelvuldig voor over de hele golfbaan en het gehele jaar. Ze vallen op door hun vorm die doet denken aan een wapenschild.
In Nederland komen iets meer dan 600 soorten voor.
De imago's zijn vaak klein tot ca. 1,5 cm. groot en zijn te vinden op nagenoeg alle blad-gewassen, bij tijd en wijle ook op de greens.

Er zijn soorten die zich hebben aangepast aan leven in of op het water zoals het bootsmannetje, ook wel rugzwemmer genoemd omdat ze op de rug onder de waterspiegel zwemt en de schaatsenrijder, die we in de vijver of waterpoelen aantreffen. Laatstgenoemde zien we op de waterspiegel lopen.

Vanwege de onvolledige gedaanteverwisseling hebben we bij wantsen veelvuldig te maken met nimfen, onvolwassen exemplaren. Deze lijken soms in de verste verte niet op de ouders.


(Foto: Bootsmannetje of rugzwemmer op het droge.)

 

 

 
(Foto's: Links bootsmannetje of rugzwemmer in het water, rechts schaatsenrijder, op het water.)

In beginsel hebben wantsen vier vleugels, bij sommige soorten zijn deze gereduceerd.
In tegenstelling tot veel keversoorten hebben ze geen bijtende monddelen, maar een buisvormige steeksnuit waarmee het voedsel wordt opgezogen uit planten, zaden, insecten of parasitair op andere dieren.
Ze zijn overwegend goed gecamoufleerd met een schutkleur, maar ook felgekleurde soorten komen voor. Denk hierbij aan de rood gekleurde vuurwants en de pyjamawants.

 

 
(Foto's: Links een vuurwants, rechts een pyjamawants.)

 

Aangezien imago's nagenoeg het hele jaar kunnen voorkomen, treden er ook kleur-verschillen op tijdens de overwinteringsperiode.

Bij observatie van de wants valt het schildje op achter het halsschild, een duidelijk zichtbare driehoek die met de punt naar het achterlijf wijst.
Vanuit aanwezige geurklieren kunnen nimfen en imago's een stinkende geur afscheiden om andere insecten af te schrikken of te verlammen.

De twee soorten vleugels bestaan uit dikke, taaie voorvleugels met aan het uiteinde een dunne en vliezige punt, die over elkaar gevouwen liggen en dunnere, vliesachtige achtervleugels. Wantsen hebben in tegenstelling tot kevers nooit een naad in de middellijn tussen de voorvleugels. Gevlogen wordt met de achtervleugels.

Uit het ei komen jongen zonder vleugels, de nimf. Na diverse vervellingen groeien uiteindelijk de vleugels tot het volwassen formaat uit. Hier ontbreekt het popstadium.
Overal in de vegetatie op de golfbaan komen deze insecten voor, laag bij de grond en hoog in struiken en bomen.

Vertegenwoordigers die behoren tot verschillende families en die zijn waargenomen, zijn o.a. die behoren tot de: schildwantsen, bloemwantsen, knotswantsen, kielwantsen, bodemwantsen, vuurwantsen, randwantsen en blindwantsen.

 


(Foto: Roodpootschildwants, onder het imago, midden witte nimf en boven juist verlaten vervellingshuid.)

 

Schildwantsen. Deze kenmerken zich vooral door hun schildvormig lichaam. Ze zijn overwegend groen of bruin, soms zeer kleurrijk en variëren van 0,5 tot 2,5 cm. Een ander kenmerk is de mogelijke afscheiding van een zoetig stinkend vocht.
Ze behoren tot de groep van plaaginsecten en kunnen in grote groepen schade aanrichten op akkers en velden.

Op de golfbaan voorkomende vertegenwoordigers die zijn waargenomen, zijn de grauwe veldwants, groene stinkwants, zuidelijke schildwants, roodpootschildwants, bessenwants, bremschildwants, koolwants en pyjamaschildwants.

De grauwe veldwants of grauwe schildwants, ca.1,5 cm. groot.
Vuil geelachtig grijs tot bruin, onregelmatige groefjes op de schilden en vaak gespikkeld. Met zwarte en gele markeringen langs de rand. Antennes zwart met gele ringen.

 
(Foto's: Grauwe veldwants of grauwe schildwants, links imago, rechts nimf.)

 
(Groene stinkwants of groene schildwants, links imago, rechts twee nimfstadia.)

 

De groene stinkwants of groene schildwants.
Deze is groen van kleur met bruine vleugelpunten. Tijdens de winterslaap is ze echter geheel bruin, in het voorjaar weer groen.
Deze soort komt algemeen voor en soms zelfs in grote aantallen, ook op de golfbaan in de rough, op struiken en in bomen waar ze van plantensappen leven.

Minder algemeen is de waargenomen zuidelijke schildwants. Dit is een vanuit zuid Europa oprukkende soort. Vooral te vinden op braam, maar ook op nectarplanten, van de rough tot in de bomen. Ze is rond 1 cm. lang met antennes die roodgeel tot roodbruin zijn met zwarte ringen. Het uiteinde van het schildje is wit-geel.

 
(Foto's: Zuidelijke schildwants, links onderaanzicht, rechts bovenaanzicht.)

 

 
(Foto's: Roodpootschildwants, links imago, rechts nimf.)

De roodpootschildwants, ook wel boswants genoemd, is ca. 1,5 cm groot. Te onderscheiden van andere schildwantsen door zijn bijna rechthoekige halsschild waardoor breed geschouderd. Donkerbruin tot zwart van kleur met een lichte top aan het uiteinde van zijn rugschild.
Vrij algemeen van juli tot december als imago aanwezig op vooral eiken.

Algemeen komt de bessenwants of bessenschildwants voor, ruim 1 cm. groot en wordt vooral op braamstruiken aangetroffen, maar ook op sleedoorn, rozen e.a. gewassen.
Ze zijn gevarieerd rood tot paarsachtig met zwart-wit gebandeerde randen en hebben voelsprieten met een lichte bandering.
Het driehoekig schildje is meer groen. De nimfen zijn donkerder, meer bruin (zie foto).


(Foto: Bessenwants of bessenschildwants twee imago’s.)

 

De bremschildwants kan in kleur verschillen, afhankelijk van het seizoen, van roodbruin - groen overgaand naar geelgroen. Kenmerkend is de smalle blauwgrijze buitenrand langs de dekvleugels en geelgerand achterlijf.
 

 
(Foto's: Links drie imago’s en rechts nimf van de bremschildwants.)

Te vinden op vlinderbloemigen in de rough, waar ze van plantensappen leven. Naast volwassen imago’s zijn er tot september ook nimfen waar te nemen.

Ook de 5-7,5 mm. grote koolwants, donker met drie kleine vlekken aan de achterzijde, is waargenomen op de golfbaan. Is in ons land vrij algemeen en overwintert als imago. Terwijl de koolwants van kruisbloemigen leeft, schuwen vrouwtjes ook geen insecten.

 
(Foto's: Koolwants imago’s links en rechts.)

 

In het oogspringend is ook de knalrode pyjamaschildwants, met zwarte lengtestrepen. Wordt daarom ook wel rood-zwarte streepwants of gevangeniswants genoemd. De onderkant, buikzijde, is rood met vele kleine zwarte punten.


(Foto: Twee imago’s pyjamaschildwants in copula.)

Ze worden 8 tot 12 mm. groot en zijn vooral aan te treffen op schermbloemigen in de rough. Waargenomen o.a. op Groesbeekse baan-Zuid langs de bosranden en Noord hole 8.

 

Knotswantsen, ook wel glasvleugelwantsen genoemd, ontlenen hun naam aan het uiteinde van de antennes en aan de transparantie van het middelste deel van de voorvleugel. Ze zijn 4 tot 15 mm. lang met een stevig en langwerpige lichaam. Kunnen sterk in lichaamsvorm en kleur verschillen.

Op de golfbaan heb ik de geblokte knotswants aangetroffen, een roodbruine, 7-8 mm. grote wants met donker schildje, voorzien van een licht uiteinde.

 
(Foto's: Geblokte knotswants, imago’s  links en rechts.)

In de rough te vinden op een groot aantal verschillende soorten voedselplanten waar ze zich te goed doen aan sappen van vooral vruchten en zaden. Dit met voorkeur voor planten uit de ooievaarsbekfamilie en lipbloemigen. Waar te nemen van juli tot en met september.

 

 
(Foto's: Zwartgespikkelde knotswants, imago’s links en rechts.)

Overige vertegenwoordigers die zijn waargenomen zijn de zwartgespikkelde knotswants (foto’s) en de kaneelwants. De kaneelwants doet denken aan de vuurwants, met haar rode kleur met zwarte vlekken. Duidelijk verschil is de rode vlek aan de voorzijde van de zwarte kop. In tegenstelling tot de vuurwants, kan de kaneelwants wel vliegen. Gevonden op de bloemrijke borders langs de parkeerplaats. Ontleent zijn naam aan de geur die bij aanraking vrijkomt.

De zwartgespikkelde knotswants (foto's boven), 6 – 7 mm. groot, is strogeel en heeft donkere patronen over het hele lichaam. Lichte, gespikkelde rand langs het lichaam. Leeft van diverse plantensoorten en komt overal in de rough voor, vooral vanaf juli-augustus.


(Foto:
Imago kaneelwants, let op rode vlek op de kop.)

 

Bloemwantsen.
Overwegend minder dan een halve cm. grote insecten, nagenoeg overal op de golfbaan op de grond en in bomen. De meeste soorten zijn roofdieren, sommige soorten zijn ook planteneters. Een vertegenwoordiger hiervan is op de golfbaan de gewone bloemwants, ongeveer 4 mm. groot, zwarte kop en glimmende schilden met oranjebruin en opvallende zwarte stip in het midden. Aan de vleugelpunt een zandloper-vormige zwarte vlek. Ze eet hoofdzakelijk bladluizen en leeft vrijwel het jaarrond.

Kielwantsen.
De meidoornkielwants is de enige vertegenwoordiger die op de golfbaan is waargenomen. Deze 0,5 tot 1.8 cm. grote kielwantsen komen overal op de wereld voor en leven hoofdzakelijk in bomen en struiken.

 

 
(Foto's: Links imago gewone bloemwants, rechts meidoornkielwants.)

Kenmerk o.a. het meer langwerpig eivormig tot vliegervormig lichaam met een niet verbreed driehoekig schildje. De antennes zijn vijfledig. De naam kielwants slaat op de langgerekte doorn aan de onderzijde van het derde buiksegment. Ook kielwantsen hebben stinkklieren. De meidoornkielwants is overwegend groen met zwarte putjes en heeft roodbruine banen op de vleugels en hebben rode ogen.

 

Bodemwantsen.
Bodemwantsen worden ook wel grondwantsen genoemd en leven voornamelijk op of laag bij de grond. In ons land hebben we hoofdzakelijk vertegenwoordigers van klein formaat, maar er zijn ook grotere soorten op de wereld.
Het lichaam is langwerpig tot langwerpig eivormig en overwegend donkergrijs-bruin, maar er zijn ook felgekleurde, oranje tot rode bodemwantsen met een zwart patroon. De naar voren gerichte kop bevat anttennes die uit vier segmenten bestaan. Ze voeden zich met zaden en zijn vaak gespecialiseerd in bepaalde soorten planten.

 

 
(Foto's: Links netelringpoot nimf, rechts de gewone rookwants imago.)

Aangetroffen zijn twee vertegenwoordigers, de netelringpoot en de gewone rookwants. Met name in en rond de waste area’s trof ik de netelringpoot aan. Deze 5.8 – 7.3 mm. grote wants heeft een zwarte kop, halsschild en schildje. De zijkant van het achterlijf is zwart-wit geblokt. Vooral daar te vinden op plaatsen waar brandnetels groeien, waar ze o.a. van de zaden leeft. Veelal in juli en augustus waar te nemen.

De gewone rookwants, met zijn 6,9 tot 8,1 mm. iets groter dan de netelringpoot, kenmerkt zich door zwarte vlekken en lichaamsdelen op grijzige basis. Niet onaantrekkelijk om te zien.
Ze lopen vrij snel en leven van allerlei planten en zaden in de rough. Overwinterend aan te treffen onder hout of schors en ook wel in de gebouwen.

Vuurwantsen. De naam is te danken aan de fel rode kleur. De bekendste soort die in Nederland en op de golfbaan voorkomt is de vuurwants. Deze alleen met de kaneelwants te verwarren soort valt op door zijn overwegend helder rode kleur met karakteristiek patroon van zwarte lichaamsdelen en vlekken.
Het is een planteneter die soms ook dode of levende insecten eet. Hij kan niet vliegen en wordt soms massaal aangetroffen bij lindebomen. Kent een grote tolerantie voor extreem lage temperatuur. Ook in houtspleten aan te treffen, tussen boomwortels en stenen.


(Foto: Vuurwantsen kolonie, imago’s en nimfen. De nimfen hier hebben 3 puntjes op rode rug.)

 

Randwantsen.
Hier betreft het een familie van wantsen die exoot zijn in ons land. Vaak licht tot donkerbruin gekleurde met een sterk verbrede rand van het abdomen. Ze zijn voorzien van een stevig, langwerpig lichaam en variëren van een 0,5 - 4,5 cm. lengte.
Op de golfbaan heb ik drie vertegenwoordigers aangetroffen, de bladpootrandwants, de smalle randwants en de zuringwants.

 

 
(Foto's: Links imago bladpootrandwants, rechts smalle randwants nimf.)

 

De bladpootrandwants of bladpootwants komt sinds 2007 in ons land voor en komt oorspronkelijk uit Amerika. Op de golfbaan te vinden in de struiken en bossen, voornamelijk augustus tot oktober maar kan het hele jaar worden gesignaleerd. ’s Winters ook wel in de gebouwen om te overwinteren. Kan afschrikwekkend geurende stof afscheiden. Met hun steeksnuit zuigen ze plantensappen. Gemiddelde grootte ca. 2 cm., hebben een zwarte kop, rode ogen en een donker rode streep precies dwars door de kop, verder zijn ze donkeroranjerood met geel met zwarte vlekken en witte strepen. Opvallend lange, rode antennen van ongeveer 1,5 cm langd.

De smalle randwants, voornamelijk op vruchtdragende struiken waar te nemen, komt steeds vaker in ons land voor. Het is een smalle, slanke soort van ca. 1,5 cm. Gespikkeld en roodbruin van kleur. De nimfen hebben een groen achterlichaam.

 

Zuringwants. Algemeen als zuringwants aangegeven, wordt deze wants ook wel aangeduid als lederwants, zuringrandwants of fluweelbruine randwants.
Zonnend langs bos- en struikranden komt deze soort algemeen voor op de golfbaan. Een 1,5 cm. grote, vrij ronde en platte imago, hoofdzakelijk bruin gekleurd met een leerachtig achterlijf.
Ook deze soort lijkt breed geschouderd door de aan weerszijden van het halsschild aanwezige, puntige, opstaande uitsteeksels. Antennes vierledig en roodoranje met zwart uiteinde. Bij volwassen imago is de platte 'rand' om het achterlijf lichtbruin gestreept.
Het schildje is vrij recht van vorm. Het zijn goede vliegers die zich voeden met diverse plantensoorten met voorkeur voor zuring, duizendknoop e.a.

 
(Foto's: Rechts en links imago zuringwants.)

 

Blindwantsen.
Blindwantsen worden ook wel plantenwantsen genoemd en zijn 2 – 16 mm. lang, met een langwerpig of ovaal lichaam en getekend met sterk uiteenlopende kleuren en tekeningen. Blind zijn ze niet, maar de puntogen ontbreken wel. Het zijn eters van plantensappen, aas of andere insecten.

 

 
(Foto's: Links een nimf, rechts imago van gestreepte eikenblindwants.)

Gespot is de gestreepte eikenblindwants, vrij algemeen in onze bossen. Zoals de naam doet vermoeden, geel gestreept met twee gele vlekken op het lichaam, een geel schildje en gele vlekken op het borstschild.

Zijn met name waar te nemen van april - juli, hoofdzakelijk langs de bosranden en struwelen op de golfbaan. Ook de sterk afwijkende nimfen zijn niet onaantrekkelijk om te zien.

 

Kijk, luister en geniet!

 

 

 

 

Flora en fauna 35 jaar - deel 7 – Volwassen

De laatste jaren voor het 7e lustrum groeit de baan naar volwassenheid, bomen en struiken zijn uitgegroeid tot formaat van betekenis en de flora en fauna schikt zich naar de mogelijkheden. De stelregel van de natuur, “alles is overal, het milieu selecteerd” is ook op onze baan van toepassing en waarneembaar. De biotopen vormen zich duidelijk en op diverse plaatsen zijn unieke habitats ontstaan, bepalend voor de biodiversiteit van flora en fauna. Een biodiversiteit die tot op de dag van vandaag is uitgegroeid naar ongekende omvang.


(Foto: Openheid omringd door bos met roughzones en haagbeplanting [heggen] met grote betekenis voor vele diersoorten. Met o.a. sleedoorns die weer allerlei bijen, zweefvliegen en vlinders aantrekken).

 

 
(Foto’s: Links bloeiende sleedoorn in heg met daarop een dagvlinder, de kleine vos.)

 

 


(Foto: Zicht op green van Oost 5 met specifieke habitats, de waste lands. Geschikt voor bv. de bastaardzandloopkever, foto’s onder.)

 

 

 

  
(Foto’s: Links zicht over de vijver van NB hole 15, een habitat voor nieuw leven van o.a. juffers en libellen. Zo ook de poel op Noord 6, foto rechtsboven.)

 


(Foto:Juffer genaamd lantarentje vanwege het lichtblauwe segment achter op het donkere lijf.)

 


(Foto: Een viervlek libel, de vlag inspecterend in de cup.)

 

 


(Foto's: Langs de Zevenheuvelenweg ligt een groot terrein waar de natuurontwikkeling zich het hele jaar door laat gelden en waar veel insectensoorten leven van de rijkelijk aanwezige bloemsoorten. Zie foto boven met zicht op Oost 3 en foto onder met zicht op de werkplaats van de greenkeepers en woning aan de Derdebaan, naast Oost 4.)

 

Ook Zuid, de oude Groesbeekse wordt met de aangepaste holes volwassener en vormt een rijk heuvellandschap met daarbinnen veel vogelsoorten als gaai, ekster, tjiftjaf, boompieper, vink, appelvink, buizerd en vele andere. Maar ook leven hier de das, vos en ree.


(Foto: Zicht op het dal waarin nu de afslag van Zuid 9 ligt en op de achtergrond rechts van hole 7.)

 


(Foto: Gaai of zoals vroeger Vlaamse gaai.)

 


(Foto: Jonge reebok op Zuid hole 9.)

 

Grote ingrijpende renovaties of innovaties zijn er nauwelijks meer maar hier en daar worden toch nog enkele ingrepen verricht. Eerst is daar de aanpak van de binnenplaats, zie foto hierna met nieuwe bestrating en inrichting met plantenbakken en op het dak zonnepanelen.

 


(Foto: De binnenplaats is opgefleurd met plantenbakken waarin perenbomen staan met siergras als onderbegroeiing.)

 

 

Ook is in 2015 nog de vijver op de NB hole 15 aangelegd, samen met bunker en enkele heideveldjes (één wordt er later weer verwijderd!). Zie onderstaande drie foto’s.

 

 

 

Twee jaar later, begin 2017 worden op de NB nog enkele locaties gerenoveerd langs hole 4 en de tees van hole 5, zie foto hierna.

 

In 2018 wordt de green van Noord 9 aangepast en het asfaltpad tussen vijver en green verwijderd, zie de drie foto’s hieronder. Ook wordt de oude schuur achter Zuid 4 gesloopt en wordt een nieuw toiletgebouw gebouwd.

 

 

(Foto’s: Onder links de oude situatie op hole Zuid 4 en rechtsonder de nieuwe situatie met het nieuwe toiletgebouw.)

 

 

 

Op verschillende lokaties binnen nagenoeg alle lussen en de NB zijn rough-zones van betekenis ontstaan en vinden tientallen soorten kruidachtigen mogelijkheid tot ontwikkeling. Na de pionierplanten zijn de blijvers gekomen en strijden de planten onderling voor hun overlevingskans. Dit biedt ons golfers een fraai beeld aan bloeiende planten in diverse kleuren.

 
(Foto’s: Rijkbegroeide en rijk bloeiende rough op diverse locaties. Foto hieronder de toegangstrap tot de green van Oost hole 7.)

 

  <img src="/resources/media/Flora%20en%20Fauna/35%20jarig%20bestaan/Deel%207%20-%20Volwassen/tn_31.rough%20%284%29.JPG" alt=""